Opkomst en ondergang van de democratie in Nederland

Sinds 1848 is Nederland een parlementaire democratie. Er is sinds die tijd veel gebeurd en veranderd. In onderstaande video’s nemen we je in vogelvlucht mee door de geschiedenis van het ontstaan van de parlementaire democratie in Nederland.

Kabinetten 1945-heden

Nederland heeft sinds 1945 tientallen verschillende kabinetten gehad. Drees en Balkenende leidden de meeste kabinetten, terwijl Lubbers met twaalf jaar de langstzittende minister-president is. In onderstaand overzicht staan alle kabinetten sinds 1945. (Bron: https://www.parlement.com/id/vh8lnhrp1x03/kabinetten_1945_heden)

Kabinet

Periode

Historie

Rutte III

2017- heden

Dit kabinet van VVD, D66, CDA en ChristenUnie kwam na de langste formatie sinds de Tweede Wereldoorlog tot stand. Zeven maanden na de verkiezingen van 15 maart 2017 stond er een opvolger van het kabinet-Rutte II op het bordes. Voor premier Mark Rutte is dit de derde keer dat hij een kabinet leidt.

Rutte II

2012-2017

Dit kabinet werd door VVD en PvdA gevormd na de Tweede Kamerverkiezingen van 12 september 2012. VVD-leider Mark Rutte werd voor de tweede keer premier. Onder leiding van informateurs Wouter Bos en Henk Kamp wisten de coalitiepartijen hun grote onderlinge verschillen te overbruggen. De formatie van het kabinet-Rutte II was één van de snelste kabinetsformaties ooit.

Rutte I

2010 – 2012

Dit minderheidskabinet van VVD en CDA werd gevormd na de Tweede Kamerverkiezingen van 9 juni 2010, als opvolger van het kabinet-Balkenende IV. Voor een meerderheid in de Tweede Kamer sloten de regeringspartijen een gedoogakkoord met de PVV. VVD-leider Mark Rutte werd de eerste premier van VVD-huize.

Balkenende IV

2007- 2010

Dit kabinet werd gevormd na de Tweede Kamerverkiezingen van 22 november 2006. Het was een coalitie van CDA, PvdA en ChristenUnie. Het trad op 22 februari 2007 aan als opvolger van het kabinet-Balkenende III. Het motto van het kabinet was ‘Samen werken, samen leven’.

Balkenende III

2006 – 2007

Dit minderheidskabinet van CDA en VVD werd niet gevormd na verkiezingen, maar direct na de val van het kabinet-Balkenende II. Nadat de D66 -bewindslieden uit dat kabinet gestapt waren, werden de twee opengevallen ministersposten opgevuld door andere leden van het kabinet. In plaats van aan het rompkabinet van CDA en VVD een demissionaire status toe te kennen werd missionair overgangskabinet gevormd.

Balkenende II

2003 – 2006

Na de Tweede Kamerverkiezingen van 2003 werd het kabinet-Balkenende II gevormd. In dit kabinet werkten CDA, VVD en D66 samen. De CDA- en VVD-bewindslieden uit het voorgaande kabinet-Balkenende I keerden allen terug. Jan Peter Balkenende (CDA) werd wederom premier. Bijzonder waren het recordaantal van vijf vrouwen in het kabinet en het feit dat D66 voor het eerst aan een centrumrechts kabinet meedeed.

Balkenende I

2002 – 2003

Na acht jaar ‘paars’ (de kabinetten Kok I en Kok II ) trad in 2002 een centrumrechtse coalitie aan van CDA en VVD samen met nieuwkomer LPF (de Lijst Pim Fortuyn). De enorme winst van deze nieuwe partij (26 zetels) bij de Tweede Kamerverkiezingen van 15 mei 2002 maakte een kabinet zonder deze partij bijna onmogelijk. CDA-leider Jan-Peter Balkenende werd de nieuwe premier.

Kok II

1998 – 2002

Dit kabinet, in de wandelgangen veelal ‘Paars II’ genoemd, was een voortzetting van het kabinet-Kok I. Hoewel het kabinet het bijna de volle vier jaar uithield, verliep de samenwerking tussen PvdA, VVD en D66 minder soepel dan in de vorige kabinetsperiode. PvdA-leider Wim Kok werd voor de tweede keer premier.

Kok I

1994 – 1998

Aan dit eerste ‘paarse’ kabinet namen PvdA, VVD en D66 deel. Het werd gevormd na de Tweede Kamerverkiezingen van 1994. De kleur paars refereerde aan de vermenging van het rood van de PvdA en het blauw van de VVD. PvdA-leider Wim Kok, minister van financiën en vicepremier in het voorgaande kabinet-Lubbers III, werd premier.

Lubbers III

1989 – 1994

In het derde kabinet-Lubbers werkte het CDA samen met de PvdA . De VVD, coalitiepartner van het CDA in het voorgaande kabinet-Lubbers II , belandde na de verkiezingen van 1989 in de oppositie. CDA-leider Ruud Lubbers werd voor de derde keer premier.

Lubbers II

1986 – 1989

Dit kabinet was qua politieke samenstelling een voortzetting van het eerste kabinet-Lubbers. De coalitiepartijen CDA en VVD hadden bij de verkiezingen van 1986 hun gezamenlijke meerderheid in de Tweede Kamer behouden.

Lubbers I

1982 – 1986

Dit kabinet van CDA en VVD kwam tot stand na de verkiezingen van 1982. CDA-lijsttrekker Dries van Agt, premier van het voorgaande kabinet-Van Agt III besloot zich niet opnieuw kandidaat te stellen voor het premierschap. Premier namens het CDA werd daarom Ruud Lubbers.

Van Agt III

1982

Na de val van het kabinet-Van Agt II werd dit minderheidskabinet van CDA en D66 gevormd. CDA-leider Van Agt bleef premier. De posten die waren opengevallen na het vertrek van de PvdA-bewindslieden, werden opgevuld vanuit de gelederen van de overgebleven coalitiepartners.

Van Agt II

1981 – 1982

Dit kabinet van CDA, PvdA en D66 werd gevormd na de verkiezingen 1981. CDA-leider Dries van Agt werd voor de tweede keer premier, net als bij het voorgaande kabinet-Van Agt I. PvdA-leider Joop den Uyl werd vicepremier en minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De toevoeging ‘Werkgelegenheid’ onderstreepte zijn centrale rol bij een actief werkgelegenheidsbeleid.

Van Agt I

1977 – 1981

Dit kabinet van CDA en VVD kwam na een lange formatieperiode tot stand, nadat vorming van een tweede kabinet-Den Uyl was mislukt. Hoewel de PvdA bij de verkiezingen van 1977 de grootste partij was geworden, werd CDA-leider Dries van Agt premier.

Den Uyl

1973 – 1977

Dit kabinet wordt beschouwd als het meest links-progressieve kabinet uit de parlementaire geschiedenis. Het kwam tot stand na de moeizame formatie die volgde op de verkiezingen van 1972 en was de opvolger van de kabinetten-Biesheuvel I en II. Het bestond uit bewindslieden van de PvdA, D66, PPR, KVP en ARP onder leiding van PvdA’er Joop den Uyl.

Biesheuvel I en II

1971 – 1973

Dit kabinet kwam tot stand na de Tweede Kamerverkiezingen van 1971. De partijen die het voorgaande kabinet-De Jong hadden gevormd (KVP, CHU, ARP en VVD) verloren bij deze verkiezingen hun meerderheid. Met nieuwkomer DS’70 als vijfde regeringspartij kon het beleid van het vorige kabinet echter voortgezet worden. Minister-president Barend Biesheuvel was afkomstig uit de ARP.

De Jong

1967 – 1971

In dit centrumrechtse kabinet werkten vier partijen samen: KVP, ARP, CHU en VVD . Minister-president Piet de Jong was afkomstig uit de KVP. Het kabinet trad na de verkiezingen van 1967 aan als opvolger van het kabinet-Zijlstra.

Zijlstra

1966 – 1967

Dit kabinet van KVP en ARP was een overgangskabinet. Het werd gevormd na de val van het kabinet-Cals . Minister-president Zijlstra was afkomstig uit de ARP. Het kabinet trad aan op 22 november 1966.

Cals

1965 – 1966

Dit centrumlinkse kabinet van KVP ,PvdA en ARP was het eerste sinds 1958 met de sociaaldemocraten. Minister-president was KVP-leider Jo Cals . Zijn kabinet volgde het kabinet-Marijnen op, zonder dat er tussendoor verkiezingen werden gehouden. Het kabinet-Cals stond bekend als ‘kabinet van sterke mannen’ en had bij zijn aantreden op 14 april 1965 veel ambities.

Marijnen

1963 – 1965

Het centrumrechtse kabinet-Marijnen is als een voortzetting van het voorgaande kabinet-De Quay te beschouwen. De coalitie van KVP, ARP, CHU en VVD behield na de Tweede Kamerverkiezingen van 1963 zijn meerderheid. Minister-president namens de KVP werd echter niet Jan de Quay, maar Victor Marijnen – in het vorige kabinet minister van Landbouw en Visserij.

De Quay

1959 – 1963

Dit centrumrechtse kabinet van KVP ,ARP, CHU en VVD kwam tot stand na de verkiezingen van 1959 als opvolger van het kabinet-Beel II. Het was het eerste naoorlogse kabinet zonder de PvdA. Minister-president De Quay kwam van de KVP. Het kabinet trad op 19 mei 1959 aan.

Beel II

1958 – 1959

Het kabinet Beel II was een overgangskabinet met als voornaamste taak de Tweede Kamer te ontbinden en Tweede Kamerverkiezingen uit te schrijven voor 1959. Het werd gevormd na de val van het kabinet-Drees IV en bestond uit ministers van de KVP, ARP en CHU.

Drees IV

1956 – 1958

Het kabinet-Drees IV was een coalitie van PvdA, KVP, ARP en CHU. Na de verkiezingen van 1956 zetten de partijen uit het kabinet-Drees III hun samenwerking voort. Het was het laatste van de rooms-rode kabinetten. Premier was PvdA-leider Willem Drees. Het kabinet trad aan op 13 oktober 1956.

Drees III

1952 – 1956

Na de verkiezingen van 1952 kwam dit derde kabinet op brede basis tot stand. Het kabinet onder leiding van PvdA-voorman Willem Drees bestond uit ministers van de PvdA, KVP, ARP en CHU en telde verder een partijloze minister. Het was een van de rooms-rode coalities. De VVD, deel van het voorgaande kabinet-Drees II, werd als regeringspartij vervangen door de ARP.

Drees II

1951 – 1952

Dit kabinet van de PvdA, KVP, CHU, VVD en een partijloze minister was een voortzetting van het eerste kabinet-Drees . Wel verschenen op enkele departementen nieuwe gezichten en kreeg de CHU één ministerspost extra. PvdA-leider Willem Drees werd wederom premier. De ARP kon zich vinden in het programma, maar behield een voorbehoud bij de uitwerking daarvan.

Drees I

1948 – 1951

Na de Tweede Kamerverkiezingen van 1948 kwam een coalitie van KVP, PvdA, CHU en VVD tot stand onder leiding van PvdA-voorman Willem Drees. In het kabinet zaten naast de ministers uit de coalitiepartijen ook twee partijloze ministers. Bovendien was er geen binding van de fracties aan een regeringsprogramma: het kabinet was extraparlementair. Het volgde vanaf 7 augustus 1948 het voorgaande kabinet-Beel I op.

Beel I

1946 – 1948

Het eerste kabinet-Beel I werd gevormd na de verkiezingen van 1946, de eerste verkiezingen na de oorlog. Het bestond uit ministers van KVP en PvdA, alsmede drie partijloze bewindslieden en was de opvolger van het kabinet-Schermerhorn/Drees. Minister-president Beel was afkomstig uit de KVP. Het kabinet-Beel was het eerste van de rooms-rode kabinetten. Tot 1958 zouden KVP en PvdA blijven samenwerken als regeringspartijen.

Schermerhorn-Drees

1945 – 1946

Ruim een maand na de bevrijding benoemde koningin Wilhelmina dit eerste naoorlogse kabinet als opvolger van het oorlogskabinet-Gerbrandy III. Het kabinet-Schermerhorn/Drees bestond uit ministers van SDAP, CHU en RKSP, alsmede vijf partijloze ministers, van wie er later twee PvdA-lid werden. Minister-president Schermerhorn was afkomstig uit de kring van de VDB (later PvdA). Het kabinet trad op 25 juni 1945 aan.

.

Een indrukwekkende lijst met kabinetten, ministers en premiers. Maar wat is er veranderd, en hoeveel invloed hebben de kiezers daadwerkelijk gehad op het beleid? Hoeveel zin heeft het om naar de stembus te gaan? En hoeveel invloed heeft Europa op het Nederlandse beleid?

Op deze website gaat team Doe Zelf Normaal er alles over vertellen.

We kunnen jullie de conlusie nu alvast vertellen: stemmen heeft geen zin! Sterker nog, door te stemmen houd je dit corrupte en schijn-democratische systeem in stand.

Komen we al met een conclusie voordat we dit goed onderzocht hebben? Nee! We hebben uitputtend onderzoek gedaan, en zullen jullie in opvolgende artikelen op deze website meenemen in dat onderzoek.

We gaan echter niet doen alsof we nog geen conclusie getrokken hebben. Wij zouden anders niets beter zijn dan de politici uit de Tweede kamer: net doen alsof je je besluit nog niet genomen hebt, doen alsof je luistert naar de kiezer, teneinde zoveel mogelijk stemmen te winnen, en vervolgens exact doen wat je al van plan was, zonder je nog iets aan die kiezer gelegen te laten liggen.

Ga er voor zitten, en volg onze dagelijkse updates over de opkomst en de ondergang van de democratie in Nederland!

Een wezenlijk talent zoekt zich een rechter.

Johan Rudolph Thorbecke (1798 - 1872)

Grondlegger Parlementaire Democratie

Deel 1: wie was Thorbecke?

Grondlegger van de Parlementaire Democratie

Johan Rudolph Thorbecke deed in de eerste 50 jaar van zijn leven niet heel veel bijzondere dingen. Hij studeerde en werkte aan verschillende universiteiten tot hij uiteindelijk rond 1840 de politiek in ging. Daar maakte hij uiteindelijk het verschil.

Thorbecke is namelijk verantwoordelijk voor de manier waarop onze politiek tegenwoordig werkt en ons land bestuurd wordt. In 1848, al meer dan 170 jaar geleden, presenteerde Thorbecke een nieuwe grondwet, op verzoek van de toenmalige koning Willem II. Tot die tijd had de koning een heleboel macht gehad in Nederland, maar allerlei revoluties in heel Europa hadden Willem II bang gemaakt voor een soortgelijke gebeurtenis in Nederland. Daarom besloot hij de onvrede voor te zijn en een commissie, onder leiding van Thorbecke, de grondwet te onderzoeken en waar nodig te herzien.

Dit leidde uiteindelijk tot een systeem van constitutionele monarchie. De koning stond nog steeds aan het hoofd van het land, maar er was nu sprake van ministeriële verantwoordelijkheid. De politieke macht lag nu bij de regering en de ministers en niet langer bij de koning. Bovendien zorgde de nieuwe Grondwet ervoor dat de Tweede Kamer meer bevoegdheden kreeg en gekozen werd door (het rijkste, mannelijke deel van) het volk. Ook werd in de nieuwe Grondwet vrijheid van onderwijs, meningsuiting en pers vastgelegd.

Thorbecke stond dus aan het hoofd van de commissie die uiteindelijk de basis legde voor Nederland zoals we het nu kennen. Deze commissie nam macht weg bij de koning, gaf het aan de Tweede Kamer en zorgde voor belangrijke vrijheden die we nu nog steeds beschermen! (Bron(in volgende delen meer over de teloorgang van deze vrijheden!)

1854 Thorbecke en de Armenwet: Politieke strijd over armenzorg: publiek of particulier?

‘Heeft de armenzorg opgehouden een algemeen, een publiek belang te zijn?’ Deze teleurgestelde woorden werden in 1854 uitgesproken door de grondlegger van onze parlementaire democratie, de liberaal J.R. Thorbecke, bij de Kamerbehandeling van een wetsvoorstel voor de armenzorg. Thorbecke vond dat ‘een beschaafde staat […] verpligt’ was zelf voor zijn armen te zorgen.

Armenzorg en maatschappelijke opvang zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Armoede is van oudsher een groot maatschappelijk probleem; niet alleen voor de armen zelf, ook voor de rijken, vanwege de angst voor oproer. Rond 1850 was deze vrees reëler dan ooit. Europa brandde nog na van de revolutionaire geest van 1848. Weliswaar krabbelde Nederland uit een diep economisch dal, maar tussen de 10 en 15 procent van de bevolking ontving nog altijd bedeling. Een derde van de Amsterdammers leefde beneden de armoedegrens. Dakloosheid en honger lagen op de loer.
Hoe overleeft men in zo’n situatie? Wie kon, zocht hulp in het eigen (familie)netwerk. Sommigen gingen over tot bedelarij of minder fatsoenlijke bezigheden, zoals stelen en prostitutie. Vooral ouderen en invaliden wendden zich echter tot de (veelal kerkelijke) armenzorg. Met behulp van bedeling probeerden zij opname in een liefdegesticht zo lang mogelijk uit te stellen. Om te worden toegelaten tot de armenzorg, moesten ze wel voldoen aan strenge eisen op het gebied van zedelijkheid en godsdienstzin. Wie dat niet kon of wilde, wachtte de straat of het publieke armenhuis.

Thorbecke begreep de noden van zijn tijd. In de Grondwet van 1848 had hij een passage opgenomen die voorzag in een armenwet. Hij wilde een einde maken aan de willekeur en het paternalisme van de kerkelijke armenzorg. Armenzorg moest centraal worden geregeld.
Deze gedachte was niet nieuw, want Vives had hier in 1526 al voor gepleit. Pogingen om in 1801 tot een landelijke regeling te komen, stuitten op verzet van de kerken en op een lege schatkist. Maar toen in 1848 overal in Europa revolutie dreigde, leek de tijd rijp voor een nieuwe stap. Thorbeckes plan was in 1851 klaar.

Toen viel zijn kabinet. De nieuwe, door conservatieve christelijke politici gedomineerde regering onder leiding van F.A. van Hall haalde een streep door het plan. Armenzorg was een zaak van de kerken en dat moest zo blijven, vonden de nieuwe machthebbers. Onder het motto ‘[n]iemand heeft recht op onderstand’ kwamen zij in 1853 met een nieuw wetsvoorstel: ‘De uitoefening van de liefdadigheid moet worden overgelaten aan de Kerk…’ De overheid, c.q. de gemeente, mocht pas ingrijpen als ‘de arme van geen andere zijde geholpen’ werd.
Ondanks tegenstand van Thorbecke c.s. werd het voorstel aangenomen.

De Armenwet van 1854 was een feit. De overheid kreeg niets over de armenzorg te zeggen. Uitzondering werd gemaakt voor armlastige besmettelijk zieken en krankzinnigen. Hun verpleging werd namelijk beschouwd als een kwestie van openbare orde, en evenals voor de politie was de betaling hiervoor wel een publieke zaak.
Burgerlijke armbesturen mochten dus alleen bijspringen als de kerken tekortschoten. In de praktijk gebeurde dit steeds vaker: naarmate de jaren verstreken, moesten de gemeenten een steeds groter deel bijpassen. De regeling had wel een lange levensduur. Ondanks aanpassingen (in 1870, 1912 en 1929) bleef de inhoud van kracht tot de invoering van de Bijstandswet (1965).
De Armenwet verleende dus (in theorie) voorrang aan de particuliere armenzorg. Opmerkelijk is dat in de loop der decennia de motivatie daarvoor werd omgedraaid: alsof de (liberale) overheid het liet afweten en de (kerkelijke) liefdadigheid in het gat sprong. Dit beeld is – ten onrechte dus – in het historisch bewustzijn verankerd geraakt.

 

Publicatiedatum: 15-03-2012
Datum laatste wijziging :11-03-2016
Auteur(s): Catharina Th. Bakker

Laat het ook zo zijn met de machtige stroom, die vandaag is gevormd. Moge hij weldra breken door de vaak zo dorre velden der Nederlandse politiek, die doen groenen en tot vruchtbaarheid brengen, en moge hij bovendien naar de toekomst dragen schepen met een rijke lading, een lading van socialisme en democratie, van bestaanszekerheid en stijgende welvaart, van menselijkheid en recht, van geestelijke en zedelijke verheffing. (1946, tijdens het congres waar de SDAP zich aansloot bij de PvdA)

Willem Drees

Minister-president van 1948-1958, in vier achtereenvolgende kabinetten die zijn naam droegen (Drees-I t/m IV). Vanaf 1958 was Drees minister van Staat

Deel 2: wie was Drees?

Tweede na-oorlogse Minister – President

De verzorgingsstaat

Zijn zuinigheid maakte ‘vadertje Drees’ populair. Het verhaal gaat dat zijn vrouw hoog Amerikaans bezoek alleen thee met een mariakaakje aanbood. Tegelijkertijd bouwden de naoorlogse kabinetten waarvan hij premier was de gulle verzorgingsstaat op, met bijvoorbeeld de AOW voor alle ouderen.

Willem Drees was een van de populairste minister-presidenten die Nederland gekend heeft. Hij stond bekend als ‘vadertje Drees’, een troetelnaam die aangeeft dat deze socialistische premier niet alleen voor zijn eigen achterban, maar voor de hele Nederlandse bevolking een vaderfiguur was. Die rol had hij vooral te danken aan zijn ‘Noodvoorziening voor ouden van dagen’ uit 1947.

Drees werd al jong lid van de sociaal-democratische arbeiderspartij (SDAP), de voorloper van de PvdA. Als wethouder in Den Haag maakte hij de economische crisis van de jaren dertig mee, en probeerde hij de gevolgen ervan voor het gemeentepersoneel te verzachten. Na de oorlog kwam hij in het kabinet als minister van sociale zaken. Van 1948 tot 1958 was hij premier van de rooms-rode coalitie.

In verhalen over hem draait het altijd om zuinigheid en eenvoud. De belangrijkste politicus van Nederland had ‘s ochtends geen auto met chauffeur nodig, want hij liep of fietste naar zijn werk. Politici hielden in die jaren nogal van sigaren en drank, maar Drees deed daar niet aan mee. En toen een Amerikaanse diplomaat bij Drees thuis op bezoek kwam om te praten over Amerikaanse financiële steun voor de Nederlandse economie, zou die van mevrouw Drees een kopje thee met een mariakaakje gekregen hebben. De Amerikaan zou hebben gezegd dat een land met zo’n zuinige minister-president het geld van de Marshallhulp zeker goed zou gebruiken.

Drees is nauw verbonden met de jaren waarin Nederland herstelde van de Tweede Wereldoorlog. De economie moest weer op gang gebracht worden, en daarvoor moest iedereen de handen uit de mouwen steken. De nadruk kwam te liggen op samenwerking, en niet op strijd. Werknemers namen genoegen met lage lonen om Nederland een goede concurrentiepositie te geven ten opzichte van andere landen. Het betekende dat de meesten moesten wachten met de aankoop van een auto of televisie. In de politiek stond samenwerking voorop, ook al was de Nederlandse samenleving in die jaren sterk verzuild en leefden de meeste Nederlanders hun leven in eigen kring. Ze hadden een katholieke voetbalclub of een socialistische wandelvereniging.

De kabinetten van Drees waren kabinetten op brede basis, waarin de katholieken en socialisten de boventoon voerden. Zij bouwden samen de verzorgingsstaat op. De bekendste regeling daarvan is de Algemene Ouderdoms Wet (AOW) uit 1956, waarvoor Drees in 1947 de eerste aanzet had gegeven met zijn Noodvoorziening voor ouderen. Elke bejaarde van 65 jaar en ouder kreeg een uitkering van de staat. Bejaarden spraken in die tijd over ‘trekken van Drees’, alsof Willem Drees dat geld uit zijn eigen portemonnee betaalde. Toen Drees in 1988 overleed, was hij 101 jaar oud; hij heeft dus lang van zijn ouderdomsuitkering kunnen genieten. (Bron)

Ik vind het wel het opwindendste avontuur dat ik ooit beleefd heb. Politiek, daar wil ik iets eerlijks en opens van maken. In ons land wordt politiek geassocieerd met alles wat lelijk is. Politiek stinkt voor de gewone mens. Dat krijg je ook met al dat gedraai en dat gewichtig doen met geheimpjes.

Hans van Mierlo (1931-2010)

Oprichter van D66

Deel 3: wie was Hans van Mierlo?

Oprichter van D66

Voordat Hans van Mierlo in 1967 met zijn partij D66 in de Tweede Kamer plaatsnam, werkte hij onder meer als journalist bij het Handelsblad. Als voornaam lid van een initiatiefcomité was hij nauw betrokken bij de oprichting van een nieuwe landelijke politieke partij: Democraten ’66 (D66).

Onder leiding Van Mierlo voerde de links-liberale partij een voor Nederlandse begrippen opvallende verkiezingscampagne. Met succes. De partij behaalde zeven zetels en profiteerde onder meer van het feit dat er, door ontkerkelijking en ontzuiling, in deze tijd steeds meer zwevende kiezers waren.

Vernieuwing

De partij pleitte onder meer voor een directe democratie, vrouwenemancipatie en milieubescherming. De vernieuwende boodschap van D66 sloeg aan. Van Mierlo werd de eerste fractievoorzitter van de partij en pleitte in die hoedanigheid onder meer voor politieke samenwerking tussen D66, PvdA en PPR. Dit leidde in 1973 tot het kabinet-Den Uyl, waarin deze drie partijen, samen met KVP en ARP, een coalitie vormden.

Niet iedereen binnen D66 was echter blij dat Van Mierlo zo nauw samen wilde werken met de PvdA. Het feit dat de partij in 1972 een gezamenlijk verkiezingsprogramma had met PvdA en PPR waardeerden lang niet alle D66-ers. Er werd gevreesd dat D66 haar identiteit zou verliezen.

In 1973 trad Van Mierlo af als fractievoorzitter naar aanleiding van kritiek in eigen gelederen op deze samenwerkingskoers. De D66-oprichter bleef hierna tot 1977 wel onderdeel uitmaken van de door Jan Terlouw geleide fractie.

Terugkeer

Van Mierlo in 2006

In 1981 keerde Van Mierlo terug in de politiek. Dit als minister van Defensie in het tweede kabinet-Van Agt. In 1986 werd hij ook weer leider van D66. Onder zijn leiding behaalde de partij bij verkiezingen in 1989 en 1994 goede resultaten (12 & 24 zetels). Na deze laatste winst trad D66 toe tot het eerste ‘paarse kabinet’. Van Mierlo werd in dit kabinet minister van Buitenlandse Zaken en vicepremier.

 

In 1997 maakt Van Mierlo bekend niet beschikbaar te zijn als lijsttrekker voor de Kamerverkiezingen van 1998. Els Borst nam het stokje van hem over. Hoewel D66 ook deel uitmaakte van het tweede kabinet-Kok maakte Van Mierlo hier geen onderdeel van uit. De links-liberaal had laten weten alleen beschikbaar te zien voor de post van minister van Buitenlandse Zaken. Die ministerpost ging echter naar Jozias van Aartsen van de VVD.

Charme

In een in memoriam schrijft D66 de ‘warmte en inspiratie’ van Van Mierlo te zullen missen. Verder schrijft de partij onder meer:

“Hans was een warm mens en een uniek politicus. Met zijn intellectueel vermogen, retorische gaven en grote charme heeft hij velen geïnspireerd. Tot het laatst was hij betrokken bij zijn partij, Democraten 66, die wij in zijn geest zullen voortzetten.”

In latere artikelen op deze pagina zullen we laten zien dat van Mierlo, ondanks wat hij aan de kiezer beloofde, geen van zijn beloftes is nagekomen. Hans van Mierlo stemde in 1975 zelfs als enige van zijn fractie tegen een voorstel van de linkse partijen om een bindend referendum in te voeren. Daarmee brak hij zijn belangrijkste belofte aan de kiezer!

Hitler is voor mij een bron van inspiratie, omdat zich rond de Führer een herboren volk heeft geschaard dat zich niet alleen door materiële waarden laat leiden.

Joop den Uyl (1919-1987)

Minister - President van 1973-1977

Deel 4: wie was Joop den Uyl?

Minister – President 1973-1977

Joop den Uyl. Nederlands politicus die van 1967 tot 1986 politiek leider was van de Partij van de Arbeid (PvdA) en van van 1973 tot 1977 minister-president.

Joop den Uyl werd op 9 augustus 1919 geboren in Hilversum. Hij groeide op in het gereformeerde gezin van zijn vader Johannes den Uijl, een winkelier en mandenmaker. Den Uyl’s vader overleed toen Joop tien was. In de periode van 1931 tot 1936 bezocht Joop den Uyl het Christelijk Lyceum in Hilversum. Uit opstellen die hij in deze tijd schreef blijkt dat Den Uyl destijds bewondering had voor Duitsland dat in die tijd sterk nationaal-socialistisch werd. Hij schreef onder meer dat hij in het buurland dit zag: “een herboren, zelfbewust volk, dat in eensgezindheid om den Führer [was] geschaard”. Biografe Anet Bleich schreef in een boek over Den Uyl in 2008 dat de oud minister-president als scholier rechts-nationalistische sympathieën had. In dezelfde opstellen gaf hij volgens haar echter ook zijn afkeer weer voor de jodenvervolging en de rassenleer.

Na de middelbare school studeerde Joop den Uyl economie aan de Universiteit van Amsterdam en in 1939 volgde hij een zomercursus in de stad Kiel in Nazi-Duitsland. In zijn studietijd schreef hij zo nu en dan gedichten voor studentenbladen. Deze werden gepubliceerd onder het pseudoniem ‘Ernst Noack’. Nadat de Duitsers Nederland in 1940 binnen waren gevallen nam Den Uyl afstand van het gedachtegoed van de nazi’s. Hij kwam onder meer in contact met een illegale Parool-groep en ging schrijven voor het verzetsblad De Nieuwe Vrijheid. Na de Tweede Wereldoorlog bleef Den Uyl journalistiek actief, hij schreef toen voor Het Parool en Vrij Nederland. In 1949 werd hij directeur van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA. Hij bleef hier directeur tot 1963.

Politieke carrière

Joop den Uyl trad in 1953 namens de PvdA toe tot de gemeenteraad van Amsterdam. Hij bleef hiervan lid tot 1965 en werd in 1956 eveneens lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Hij was in Amsterdam wethouder van Economische Zaken (1963-1965) en in het kabinet Cals bekleedde hij van 1965 tot 1966 de functie van minister van Economische Zaken. In de periode dat hij op deze post zat, besloot hij de kolenmijnen in Limburg te sluiten. Na het ministerschap was Joop den Uyl enkele jaren fractieleider in de Tweede Kamer namens de PvdA. Na de verkiezingen van 1973 werd het eerste kabinet Den Uyl een feit.

Minister-president Den Uyl kwam met zijn kabinet al snel voor een aanzienlijk probleem te staan: de oliecrisis van 1973. Arabische olieproducerende landen verhoogden voor westerse landen de olieprijs met zeventig procent. Deze verhoging was met name gericht tegen westerse landen die Israël dat jaar hadden gesteund tijdens de Jom Kippoeroorlog. Door een kunstmatig gecreëerd olietekort zag de regering Den Uyl zich genoodzaakt het olieverbruik te beperken. Den Uyl stelde hierop de autoloze zondag in.

Joop den Uyl en de oliecrisis

Lockheed-affaire

In 1976 kwam minister-president Den Uyl voor een ander probleem te staan: de Lockheed-affaire. Prins Bernhard zou 1,1 miljoen dollar aan steekpenningen hebben ontvangen van de Amerikaanse vliegtuigbouwer Lockheed. Het kabinet-Den Uyl besloot op grond van de ernstige geruchten een commissie van wijze mannen in te stellen. Deze zou de zaak uitvoerig onderzoeken. Na het onderzoek van de zogenaamde Commissie van Drie besloot het kabinet-Den Uyl de prins niet strafrechtelijk te vervolgen. Wel moest hij erkennen fouten te hebben gemaakt. De commissie had namelijk vastgesteld dat Prins Bernhard zich ‘gevoelig had getoond’ voor gunsten en giften van de vliegtuigfabriek. Den Uyl ontving van verschillende kanten veel lof over de wijze waarop deze affaire werd opgelost.

Tijdens de regering van Den Uyl werd Suriname onafhankelijk. Voordat dit een feit was werd er uitvoerig onderhandeld. Joop den Uyl speelde zelf een belangrijke rol tijdens deze onderhandelingen.

Conflict

Het kabinet Den Uyl kwam in 1977 ten val. Onder meer door een slechte verhouding tussen de minister van Justitie Dries van Agt (KVP) en minister-president Joop den Uyl. Tijdens de nieuwe verkiezingen behaalde de PvdA 53 zetels. Een grotere fractie had de partij nog nooit gehad. Hoewel een tweede kabinet-Den Uyl in de lijn der verwachting lag kwam deze er niet. De partij had vooraf al een coalitie met de VVD uitgesloten waardoor men opnieuw om de tafel moest met het CDA. Er werd 208 dagen onderhandeld. Zonder succes. CDA-voorman Dries van Agt ging uiteindelijk met Hans Wiegel van de VVD in zee waardoor de PvdA in de oppositiebanken plaats moest nemen.

 

Oppositie

Onder leiding van Joop den Uyl voerde de PvdA van 1977 tot 1981 oppositie. Tijdens de verkiezingen van 1981 verloor de partij negen zetels. Het CDA was de grootste partij geworden, gevolgd door de VVD. Daarnaast was D66 een belangrijke factor geworden. Deze partij won onder leiding van Jan Terlouw maar liefst elf zetels en had er nu zeventien in totaal. CDA startte de onderhandelingen met de PvdA en D66 en vormde het tweede kabinet Van Agt. Joop den Uyl nam ondanks zijn matige verhouding met de minister-president (Van Agt) ook zitting in dit kabinet. Hij werd minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het kabinet kreeg al snel de bijnaam Vechtkabinet, voornamelijk vanwege de slechte verhouding tussen Van Agt en Den Uyl. Er kwamen nieuwe verkiezingen en na afloop van deze stembusgang vormden het CDA (ditmaal aangevoerd door Ruud Lubbers) en de VVD in 1982 samen een nieuw kabinet: Lubbers I.

Joop den Uyl nam met zijn partij weer plaats in de oppositiebanken. Hij bleef tot 1986 fractieleider van de PvdA. Kort voor de verkiezingen van 1986 haalde Den Uyl FNV-vakbondsvoorzitter Wim Kok binnen als lijstduwer. Deze stemmentrekker deed zijn werk. Wim Kok ontving maar liefst 570.000 voorkeursstemmen. De partij won in totaal vijf zetels. De winst werd al snel ‘de overwinningsnederlaag’ genoemd. Duidelijk was namelijk dat de PvdA geen kans had op regeringsdeelname. Er kwam een tweede kabinet-Lubbers, gevormd door CDA en VVD. Den Uyl moest opnieuw genoegen nemen met de oppositie.

Kort na de verkiezingen van 1986 legde Den Uyl zijn functie van fractievoorzitter neer. Wim Kok volgde hem op.

Joop den Uyl overleed in 1987 op 68-jarige leeftijd aan een hersentumor.

Bron:

Joop den Uyl 1919-1987
Dromer en doordouwer

Auteur: Anet Bleich | Uitgever: Uitgeverij Balans

Zowel het geloof als de wet houdt de moraal hoog. Alleen geeft het geloof de bovengrens van ons zedelijk leven aan, en de wet de ondergrens.

Dries van Agt (1931)

Minister-President van 1977-1982

Deel 5: wie was Dries van Agt?

Minister-President 1977-1982

Nederlands CDA-politicus en politiek leider van de christen-democraten: Dries van Agt. Was tussen 1971 en 1977 minister van Justitie en tussen 1977 en 1982 minister-president van Nederland.

Andreas Antonius Maria van Agt werd op 2 februari 1931 in het Brabantse Geldrop geboren. Opgroeiend in een welvarend ondernemerszin bracht hij zijn jonge jaren onbekommerd in zijn Brabantse geboortedorp door. De katholieke gemeenschap was nog sterk georganiseerd en Van Agt snoof de katholieke sfeer tijdens zijn jeugdjaren met volle teugen in. Zijn middelbare opleiding genoot hij van 1943 tot 1949 bij de paters Augustijnen, waar hij een gymnasium-opleiding volgde.

Dries van Agt deed er tijdens de activiteiten van de debatingclub Cassisiacum zijn eerste ervaringen met debatteren en speechen op, vaardigheden die hem later tijdens zijn politieke metier geliefd en gehaat zouden maken. Hij zette zijn scholing voort in Nijmegen, waar hij aan de Katholieke Universiteit rechten ging studeren. Van Agt was een voortreffelijk student en zou na vier jaar cum laude afstuderen. Maar ook buiten zijn studie was Van Agt actief. Zo was nam hij zitting in het bestuur van het studentencorps Carolus Magnus, aanvankelijk als abactis primus (eerste secretaris), en later ook als praeses (voorzitter). In deze jaren leerde hij Fons van der Stee, later partijgenoot en collega-minister, kennen. Ook zijn toekomstige vrouw Eugenie Krekelberg ontmoette Van Agt tijdens zijn studie in Nijmegen. De twee zouden op 5 november 1958 in het huwelijk treden en in de loop der jaren drie kinderen (een zoon en twee dochters) krijgen.

Van Agt was aanvankelijk helemaal niet voorbestemd in de politiek te belanden en ambieerde een dergelijk functie helemaal niet. Hij begon zijn juridische loopbaan op 1 januari 1956 bij een advocatenkantoor in Eindhoven, maar al na twee jaar kreeg hij de mogelijkheid om in Den Haag bij het ministerie van Landbouw te gaan werken. Van Agt accepteerde de aanstelling en zou tot 1968 in Den Haag werkzaam zijn, eerst als jurist bij Landbouw en vanaf 1963 bij het ministerie van Justitie. Van Agt verrichte naar de beoordeling van zijn afdelingshoofden goed werk en zou op 1 september 1968 tot raadadviseur benoemd zijn, ware het niet dat een oud-docent uit zijn Nijmeegse jaren, hoogleraar Van Eck, hem overgehaald had om als wetenschappelijk medewerker voor de Nijmeegse universitaire juridische faculteit te komen werken. Net toen Van Agt zich goed en wel gevestigd had overleed Van Eck echter volkomen onverwacht. Van Agt voelde zich geroepen de opengevallen functie te accepteren en werd op 1 oktober 1968 als vervanger voor Van Eck benoemd tot hoogleraar. Zijn aanstelling leidde in het roerige 1968 niet tot studentenprotesten, vooral omdat Van Agt in die jaren bekend stond als een bijzonder progressief strafrechtjurist.

Lang duurde zijn loopbaan aan de Nijmeegse universiteit niet. Van Agt was inmiddels lid geworden van de Katholieke Volkspartij en een oproep vanuit Den Haag in 1971 om minister van Justitie te worden in het te vormen eerste kabinet Biesheuvel werd door Van Agt geaccepteerd. Hij keerde dus terug naar het departement waar hij drie jaar daarvoor nog was vertrokken, maar ditmaal als hoofdverantwoordelijke. Ook deze aanstelling leek niet lang te duren, toen al na anderhalf jaar het kabinet, door intern gesteggel tussen de ministers van coalitiepartij DS’70 en de anderen, viel. De KVP wilde Van Agt echter graag voor de politiek behouden, en zo trad Van Agt, na voor de KVP dramatisch verlopen verkiezingen, ook toe tot het legendarische kabinet Den Uyl. Dit ‘rode kabinet met een witte rand’, bestond bij de gratie van een samenwerking tussen de progressieven van de PvdA, D’66 en PPR en de confessionelen van KVP en ARP. Het zouden voor Van Agt en zijn collega-ministers vier bijzonder roerige jaren worden, waarover een minister zich later zou laten ontvallen dat men ‘van de ene crisis in de andere struikelde’. De Lockheed-affaire, de Oosterschelde-crisis, de olie-crisis, de omstreden levering van reactorvaten aan Zuid-Afrika; het kabinet kreeg het ene na het andere hoofdpijndossier voor de kiezen.

Van Agt speelde zelf hoofdrollen in de discussie over de nieuwe abortuswetgeving en de vrijlating van de Drie van Breda. Van Agt was voorstander van gratieverlening aan deze drie Duitse oorlogsmisdadigers, die sinds hun veroordeling na de Tweede Wereldoorlog in Breda hun levenslange gevangenisstraf uit zaten. Ook in de zogenaamde Menten-kwestie had Van Agt het zwaar te verduren. De van oorlogsmisdaden verdachte Pieter Menten verdween eind 1976 vlak voor zijn arrestatie, en in de Kamer kwam Van Agt, met name door aanvallen vanuit de PvdA-fractie, zwaar onder vuur te liggen. Deze vernedering zou doorwerken in de aanloop naar de val van het kabinet-Den Uyl. De progressief-confessionele samenwerking kwam in maart 1977 voortijdig tot een einde nadat met name Van Agt zich zwaar verzette tegen de op tafel liggende aanpassing van de grondpolitiek.

Van Agt was toen al gekozen tot lijsttrekker voor de nieuw gevormde CDA-partij (een samenwerking tussen KVP, ARP en CHU). De verkiezingen werden een zegetocht voor de PvdA. De partij pakte 53 zetels, vier meer dan het CDA van Van Agt. Een maandenlange formatie volgde, waarin Den Uyl bleef proberen een hernieuwde samenwerking met de christen-democraten op poten te zetten. Zijn pogingen faalden jammerlijk, vooral door de arrogantie van zijn eigen partij. De partij-onderhandelaars probeerden, tegen ongeschreven regels in, invloed uit de oefenen op de personele invulling van de CDA-ministersposten, en het partijcongres wees uitstekende nderhandelingsresultaten regelmatig af omdat er huns inziens meer uit de strijd kon worden gehaald. Dries van Agt ging er uiteindelijk met de buit vandoor en formeerde een kabinet samen met VVD-leider Hans Wiegel, een kabinet waar hij zelf premier van zou worden. Tot 1982 stond hij aan het hoofd van liefst drie kabinetten. Zijn eerste kabinet (1977-1981) kreeg het vooral economisch zeer zwaar te verduren. Het financieringstekort groeide in deze periode sterk en de werkloosheid liep enorm op. Het plan van aanpak dat door het kabinet gepresenteerd werd (Bestek ’81) werd keer op keer door de almaar verslechterende economische vooruitzichten ingehaald en stierf uiteindelijk een stille dood.

Andere grote issues waarmee Van Agt in deze jaren te maken kreeg waren de val van CDA-fractievoorzitter Willem Aantjes wegens diens vermeende oorlogsverleden, de kroning van koningin Beatrix (met de bijbehorende krakersrellen die de festiviteiten verstoorden), en de omstreden levering van duikboten aan Taiwan. Tegen alle verwachtingen in laveerde het kabinet, dat in de Kamer op de zeer smalle basis van 77 Kamerleden (inclusief 7 gedogende CDA-fractieleden) steunde, langs elk opdoemend probleem en zat het de volle vier jaar uit.

De verkiezingen van 1982 brachten zowel het CDA als de VVD licht verlies waardoor ze haar krappe meerderheid in de Kamer kwijtraakten. Het CDA werd opnieuw in de armen van het PvdA gedwongen, en Van Agt vormde het geforceerde kabinet Van Agt II. Dit ‘vechtkabinet’, waarin Den Uyl zitting nam als ‘superminister’ van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zou slechts een zeer kort leven beschoren zijn. Al na negen maanden kissebissen tussen CDA en PvdA kwam het tot een breuk. Samen met de derde coalitiepartner D’66 vormde Van Agt vervolgens het tussenkabinetje Van Agt III. Vlak na de voor het CDA moeizaam verlopen verkiezingsstrijd (3 zetels verlies) kondigde Van Agt in oktober 1982 plotseling zijn vertrek uit de landelijke politiek aan. Het ambacht had veel van hen en zijn gezinsleven geëist, en Van Agt verlangde naar een rol waarbij hij wat minder onder druk hoefde te opereren. Enkele maanden later werd Van Agt commissaris van de koningin in zijn geliefde Brabant. Teleurgesteld in de oppervlakkigheid van deze functie keerde hij Den Bosch in 1987 alweer de rug toe om delegatiehoofd van de EG in Japan te worden. Tot 1990 zou hij in Tokio werken, om vervolgens vijf jaar als ambassadeur voor de EG in Washington te verblijven. Daarna kreeg Van Agt meer tijd voor zijn passies (wielrennen) en zijn persoonlijke interesses (het lot van de Palestijnen in de bezette gebieden). Hij gaf persoonlijk nieuwe invulling aan dit debat door zelf ferm te staan voor het onrecht dat de Palestijnse bevolking in zijn ogen werd aangedaan.

Bron: Historiek.net

 

We hebben allemaal één ding gemeen en dat is dat we allemaal een hekel aan de overheid hebben.

Ruud Lubbers (1939-2018)

Minister-President 1982-1994

Deel 6: wie was Ruud Lubbers?

Minister President van 1982-1994

Hij begon als jong en talentvol minister van economische zaken in het kabinet-Den Uyl (1973 – 1977). Vervolgens werd hij afgeschreven als een vazal zonder ruggengraat…
De politieke carrière van Ruud Lubbers (1939) werd gekenmerkt door grote schommelingen in aanzien en populariteit. Hij begon als jong en talentvol minister van economische zaken in het kabinet-Den Uyl (1973 – 1977). Vervolgens werd hij afgeschreven als een vazal zonder ruggengraat, nadat hij vier jaar lang het kabinet-Van Agt overeind hield in de Tweede Kamer (1977 – 1981).
 
Hij kwam in 1982 ijzersterk terug als premier. Gepokt en gemazeld in het politieke bedrijf won hij de verkiezingen van 1986 en 1989 en ontwikkelde hij een unieke status als leider, die eigenlijk boven de partijen stond.
 
Verrassend genoeg wist hij zijn positie als deskundig staatsman na 1993 niet te handhaven en werd hij veroordeeld tot een anoniem bestaan als kleurloos academicus; verschillende hoge, prestigieuze functies gingen aan zijn neus voorbij.
 
Zijn onverwachte uitverkiezing in 2000 tot Hoge Commissaris van de Vluchtelingen van de Verenigde Naties leek een geschenk uit de hemel. Lubbers kon zich alsnog bewijzen als staatsman van internationale allure. Na de publicatie van een rapport over vermeende ongewenste intimiteiten moest hij in februari 2005 ontslag nemen. Een tragisch einde van een indrukwekkende politieke loopbaan.
Rudolphus Franciscus Marie (Ruud) Lubbers werd op 7 mei 1939 geboren in een rooms- katholiek ondernemersgezin in Rotterdam. De middelbare schooltijd bracht Ruud door op het katholieke jongens-internaat Canisius in Nijmegen. Na het behalen van het gymnasium-b diploma studeerde hij in Rotterdam economie (1957 – 1962). Tijdens zijn studententijd ontpopte hij zich als bestuurder en politicus bij de studentenvereniging Sanctus Laurentius.
Na de afronding van zijn studie (en een korte periode in militaire dienst) stapte hij over naar het familiebedrijf Hollandia Machinefabrieken, waar hij begon als directiesecretaris. In 1965, op 25-jarige leeftijd, was Ruud Lubbers directeur van een miljoenenonderneming. Hij bewoog zich soepel in allerlei besturen en colleges van katholieke ondernemers. Zo was hij voorzitter van de Jonge Christelijke Werkgevers en bestuurslid van het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW).


Ruud Lubbers, voorzitter van de katholieke werkgevers in de metaalindustrie, schetst de perspectieven voor 1973
 
Als KVP-er sympathiseerde hij met de progressieve idealen van de linkervleugel, maar hij stapte uiteindelijk niet over naar de PPR (Politieke Partij Radicalen, voortgekomen uit de KVP). De band met het katholieke establishment was daarvoor te sterk.

Toen Ruud Lubbers in 1973 toetrad tot het team van Joop den Uyl was hij voor het grote publiek een onbekend bestuurder. Het kabinet-Den Uyl belandde al snel in zwaar weer. Een internationale oliecrisis leek het begin van een explosieve stijging van de werkloosheid en een diepe recessie. Lubbers ging niet mee in de ambitieuze plannen van den Uyl om de samenleving te hervormen. “Het was niet goed duidelijk waar hij politiek stond. Hij passeerde Boersma (minister van Sociale Zaken) rechts en Duisenberg (minister van financiën) links, naar het zo uitkwam. Hij deed het meer voor het spel dan voor de knikkers.” (raadadviseur J. Margés in NRC Handelsblad, 11) Hij werd in het kabinet al snel gewaardeerd om zijn grote werklust en enorme dossierkennis. Daarin leek hij voor de buitenwacht eigenlijk meer op Joop den Uyl dan op zijn collega- ministers. Partijgenoot en collega-minister Dries van Agt, die zich ontwikkelde tot grote tegenspeler van de socialistische premier, had dan ook geen hoge pet op van de saaie vakman Lubbers. In het kabinet-Van Agt – Wiegel (1977 – 1981) was voor Lubbers geen plaats. Wel mocht hij vice-fractievoorzitter worden van het CDA, onder leiding van Willem Aantjes.

Hoewel van Agt en Lubbers elkaar niet lagen hielp Lubbers het eerste kabinet Van Agt naar de eindstreep. Omslag Elsevier, 5 september 1981
 
Tijdens het eerste kabinet-Van Agt (1977-1981) liet Lubbers zich van een heel andere kant zien. Eerst stond hij nog in de schaduw van de leiders van de drie oorspronkelijke ‘bloedgroepen’ binnen het CDA (Kruisinga/CHU, Andriessen/KVP en Aantjes/ARP). Binnen enkele jaren vielen deze concurrenten’ echter weg. Aantjes verliet de politiek nadat bekend werd dat hij jarenlang feiten over zijn oorlogsverleden verzwegen had. Andriessen en Kruisinga kenden een korte, ongelukkige carrière als minister en verdwenen uit beeld. Plotseling kreeg Lubbers de kans waar hij op had gewacht. Hij werd fractievoorzitter van een verscheurd CDA.

De fractie was hopeloos verdeeld. Sommigen zagen in premier Van Agt de grote voorvechter van de conventionele idealen, anderen waren teleurgesteld over het gebrek aan visie en de overmaat aan dogmatiek. Lubbers had te maken met een aantal fractieleden dat zich beriep op het recht af te wijken van het partijstandpunt. Deze ‘loyalisten’ brachten het kabinet, en daarmee fractieleider Lubbers, regelmatig in een lastig parket. Als een volleerd evenwichtskunstenaar presenteerde Lubbers zich beurtelings als woordvoerder van fractie en regering.
Zo zorgde hij er hoogstpersoonlijk voor dat het kabinet-Van Agt de vier jaar volmaakte. Het tweede kabinet-Den Uyl kwam er definitief niet. Lubbers werd door vriend en vijand gezien als vazal van de zeer populaire Dries van Agt, die zo’n kundige beschermengel wel kon gebruiken.

Politiek tekenaar Frits Muller beeldde Lubbers af als aap op de schouder van marskramer Van Agt. HP 5 juli 1980
 
Eind 1982 verraste Van Agt vriend en vijand door uit de politiek te stappen. Opeens was Lubbers premier. De kenners gaven hem weinig kans. Zijn ploeg bestond niet bepaald uit zwaargewichten en ook het leiderschap van Lubbers werd niet hoog aangeslagen. Toch ontpopte hij zich in korte tijd als een zeer bekwame minister-president.
 
Veel meer dan zijn voorganger Van Agt liet hij beleid en resultaten voor zich spreken. Hoewel hij, samen met zijn minister van financiën Ruding, zware bezuinigingen doorvoerde, onder het motto no-nonsense, en het terugdringen van het begrotingstekort als ‘heilige taak’ opvatte, werd hij door velen gewaardeerd en moesten zelfs zijn politieke tegenstanders erkennen dat er op de prestaties van Lubbers niet veel viel af te dingen. Binnen vier jaar groeide Lubbers uit tot grote leider van de aanhangers van de ‘nieuwe zakelijkheid’.

Tom Jansen tekende Lubbers als nietsontziende uitperser van het volk. Trouw, december 1982
De vermoeide idealist Den Uyl, die de teloorgang van de sociale politiek met lede ogen had aangezien, was in 1986 geen partij voor de dynamische Lubbers, die ogenschijnlijk moeiteloos een grote verkiezingsoverwinning behaalde. Uitzinnige leden van het CDA droegen hun held op handen: Lubbers was een winnaar die de tijden van interne verdeeldheid snel deed vergeten.
Een van de moeilijkste problemen in zijn eerste regeringsperiode was de door de NAVO gewenste plaatsing van Amerikaanse kruisraketten op Nederlands grondgebied, ter afschrikking van de Sovjet-Unie. Massale demonstraties maakten duidelijk dat veel Nederlanders tegen waren. Ook de PvdA voerde fel actie tegen mogelijke plaatsing, terwijl het CDA intern verdeeld was. Binnen de NAVO werd de Nederlandse opstelling uiterst kritisch bekeken. Uiteindelijk werd besloten (1984) om alleen tot plaatsing over te gaan wanneer de Sovjet-Unie zou doorgaan met het plaatsen van SS20-raketten. Vriend en vijand prezen Lubbers voor het realiseren van dit onmogelijk geachte compromis.
 
Het tweede kabinet Lubbers (1986 – 1989) was opnieuw een coalitie tussen CDA en VVD. De samenwerking met de liberalen begon slijtageplekken te vertonen. Het imago van Ruud Lubbers veranderde. Van keiharde saneerder ( het Amerikaanse blad Time had hem voorzien van de bijnaam Ruud Shock) werd hij de man die zich bezorgd maakte over “de aantasting van de rechtsorde en de kwaliteit van de samenleving.”(NRC handelsblad, 64). Justitie moest misstanden harder kunnen aanpakken. Tegelijkertijd, zo vond Lubbers, werd de democratie overbelast doordat de samenleving in het verleden teveel had toegestaan en de overheid teveel hooi op de vork had genomen. De gezondheidszorg, de belastingregeling en de WAO moesten op de helling.
Nadat in de eerste kabinetsperiode de RSV- enquête minister van economische zaken Van Aardenne vleugellam heeft gemaakt, sneuvelden nu de bewindslieden Van Eekelen en van der Linde in het onderzoek naar de moeizame fabricage van een nieuw paspoort. De irritaties tussen CDA en VVD liepen verder op door meningsverschillen over de financiering van het Nationaal Milieu Beleidsplan (NMP) en begin mei 1989 viel het kabinet.

Campagnefoto 1989
Ook in zijn derde kabinet (1989 – 1994), nu met de PvdA als coalitiepartner en Wim Kok als vice-premier, streefde Lubbers naar meer orde en veiligheid in de samenleving. Het grote aantal niet-werkenden noemde hij verontrustend (“Nederland is ziek”). Hij pleitte voor hogere boetes, strengere straffen en “kampementen” voor jeugdige criminelen.
De plannen voor herziening van de WAO zetten veel kwaad bloed en brachten ook Kok (als leider van de PvdA) ernstig in de problemen. Maar Kok was het met Lubbers eens dat het aantal niet-werkenden in de samenleving kleiner moest worden. Zijn verkiezingsleuze (“tijd voor een ander beleid”) kon hij daarmee echter niet waarmaken.
 
Nederland was in juli 1991 voorzitter geworden van de Europese Gemeenschap en presenteerde een plan voor nieuwe stappen op weg naar een federaal Europa. In september werd dit plan door alle lidstaten (behalve België) rigoureus verworpen, zodat er op de valreep van het voorzitterschap naar een alternatief moest worden gezocht.
Lubbers was door zijn langdurig premierschap kind aan huis bij de groten van de Europese politiek (Thatcher, Mitterand en Kohl) en slaagde er in met behulp van “zijn befaamde torentjes-techniek; bilateraaltjes; onderonsjes en de biechtstoelprocedure (een gesprek onder vier ogen)” (NRC Handelsblad, 105) voor een compromis te zorgen. In het provinciehuis van Maastricht werd in december 1991 de basis gelegd voor een Europese monetaire en politieke unie. Lubbers leek zijn kandidatuur om in 1994 Jacques Delors op te volgen als voorzitter van de Europese Commissie te hebben versterkt.
 

Lubbers had al in 1989 te kennen gegeven niet voor een vierde maal premier te willen zijn. Reeds in december 1989 liet hij weten CDA-fractieleider Elco Brinkman als zijn opvolger te zien en in 1992 herhaalde hij die boodschap. De verhouding tussen Brinkman en Lubbers verslechterde echter snel toen Brinkman in januari 1993 dreigende woorden over een kabinetscrisis (naar aanleiding van de WAO-plannen van het kabinet) van Lubbers moest inslikken. Lubbers liet doorschemeren dat hijzelf misschien toch moest aanblijven als premier. Partijvoorzitter Van Velzen schoof Brinkman vervolgens openlijk naar voren als de nieuwe kandidaat-premier van het CDA.

 

Vanaf dat moment ging het mis. Opiniepeilingen maakten duidelijk dat het CDA afstevende op een zware nederlaag. Lubbers werd steeds vaker betrapt op twijfelachtige uitspraken over zijn waardering voor Brinkman als nieuwe leider van het CDA. De langst zittende premier van Nederland leek geen afstand te kunnen doen van de macht, waardoor hij nationaal en internationaal zijn reputatie van groot staatsman schade berokkende.

 

De verkiezingsuitslag van mei 1994 was vernietigend voor het CDA. Debutant-lijstrekker Brinkman verloor 20 van de 54 zetels, waarmee zijn politieke doodvonnis getekend leek. Een volgend drama voltrok zich in juni op het Griekse eiland Corfu. De Europese regeringsleiders lieten daar Ruud Lubbers keihard vallen als kandidaat-opvolger van Jacques Delors. De Duitse bondskanselier Kohl en de Belgische premier Dehaene hadden zich van Lubbers afgekeerd.

In 1992 leek Lubbers nog onpasseerbaar. NRC Handelsblad over de aanstaande voorzitter van de Europese Commissie, 2-11-1992
 
Een onverwachte kans op eerherstel diende zich in 1996 aan toen de Belgische secretaris- generaal van de NAVO, Claes, moest opstappen wegens betrokkenheid bij een omkoopschandaal. Lubbers werd genoemd als kandidaat, maar weer kon zijn voordracht, ondanks een intensieve lobby van de Nederlandse regering, niet rekenen op brede steun. De Spanjaard Solana werd benoemd.
 
Zijn uitverkiezing in 2000 tot Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties bood hem de kans alsnog uit te groeien tot een staatsman van internationale allure. Een affaire over vermeende handtastelijkheden en de publicatie van een intern VN-rapport hierover in The Independent maakten zijn positie echter onhoudbaar. In februari 2005 was zijn politieke carrière definitief voorbij.
 

Lubbers was als politicus een omstreden figuur. Sommigen zagen in hem een machiavellist, iemand die geen loyaliteit voelde met personen, maar zich uitsluitend bezighield met het “managen” van de BV Nederland. Daarbij steunend op een legendarische dossierkennis, een onnavolgbare werklust en de wil om altijd te winnen. Zijn stijl was ondoorzichtig, verwarrend, improviserend, maar steeds gericht op het zoeken naar een compromis. Dat zoeken, aldus de tegenstanders van zijn beleid, speelde zich bij voorkeur af in de beslotenheid van het Torentje, waar, vaak in zeer kleine kring, deals werden gesloten. Helderheid en openheid pasten niet in de strategie van de premier. Hetgeen onder meer tot uitdrukking kwam in zijn bijzonder taalgebruik, waarbij de term “positieve grondhouding” een klassieker werd.

 
Vooral voor het gevoerde beleid in zijn eerste kabinetsperiode oogstte hij echter veel lof, ook in het buitenland. Het in 1982 gesloten akkoord van Wassenaar (nu algemeen gezien als de basis voor het beroemde poldermodel) was mede onder zijn leiding tot stand gekomen. Ook het compromis over de kruisraketten-kwestie werd in brede kring gewaardeerd. De frisse en energieke (“no nonsense”) uitstraling leek in het tweede kabinet-Lubbers verdwenen, terwijl in het derde kabinet-Lubbers maatschappelijk zeer omstreden plannen met betrekking tot de gezondheidszorg en de WAO voor een grote druk op de coalitie met de PvdA zorgden.
 
Politiek gezien, zo gaf hij in februari 1999 in het tv-programma Buitenhof toe, was het verstandiger geweest om de coalitie voortijdig op te blazen. Nu sleepte het CDA zich moeizaam voort naar een steeds groter wordende verkiezingsnederlaag. Maar, zei Lubbers in het interview, op advies van vriend en politiek adviseur Jan de Koning had hij het niet gedaan. Het was immers niet in het landsbelang. De val van Brinkman werd zo ook de val van Lubbers.
 
Daarom kon Ruud Lubbers niet de kroon dragen die voor hem gereed leek te liggen: het voorzitterschap van de Europese Commissie. Een eerbewijs dat hij (na 12 jaar in het centrum van de macht te hebben gestaan) misschien wel verdiend had. Nu restte hem, als karige beloning, slechts een betrekking als hoogleraar.
 
In dat licht was zijn uitverkiezing in 2000 tot Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties een kans om alsnog zijn sporen te verdienen in de wereldpolitiek. Een incident, waarbij hij handtastelijk geweest zou zijn tegenover een medewerkster, groeide in 2004 uit tot een rel.
 
Zijn sterkste wapen, de vaardigheid altijd een compromis te kunnen bereiken, liet hem in de steek. Waarschijnlijk buiten zijn schuld: de Verenigde Naties stonden al lange tijd onder internationale druk als gevolg van beschuldigingen van machtsmisbruik en corruptie. Een nieuwe affaire, ditmaal over ongewenste intimiteiten, kon VN-baas Khofi Anan niet gebruiken. Lubbers moest in februari 2005 zijn biezen pakken. Een tragisch einde van een carrière die gekenmerkt werd door grote schommelingen in aanzien en populariteit.
 
 
 
Bronnen:
Robbert Ammerlaan (redactie), Afscheid van Ruud Lubbers. Baarn, 1994
Klaas Kornaat, De pen in de aanslag: 100 jaar belasting in de politieke prent. Den Haag, 1995
Mark Kranenburg, Kees van der Malen (redactie), NRC Handelsblad. Het tijdperk Lubbers (1982 – 1994). Rotterdam, 1994
Niels Rood (redactie), Het succes van Lubbers: hoe word ik minister-president? Amsterdam, 1989

Komen is een kunst. Weggaan ook.

Wim Kok (1938-2018)

Minister-President 1994-2002

Deel 7: wie was Wim Kok?

Minister – President 1994-2002

Wim Kok 

Wim Kok werd op 29 september 1938 als zoon van een timmerman geboren in Bergambacht en doorliep de MULO-B en HBS-B. Hierna volgde hij een tweejarige Managementopleiding aan het Instituut Nijenrode in Breukelen. Na zijn militaire dienst werkte hij korte tijd op een handelskantoor.

 

De publieke loopbaan van Wim Kok startte toen hij vakbondsman werd bij de Bouwbond NVV. In deze periode verscheen hij geregeld op televisie. Kok maakte een bliksemcarrière bij de NVV. Op 34-jarige leeftijd werd hij voorzitter van Bouwbond NVV, op dat moment de grootste vakorganisatie van Nederland. Het grote publiek leerde Kok in deze periode kennen als een gematigd mens en een typische bruggenbouwer. Nadat vakbond NVV en de Nederlands Katholieke Vakbond (NKV) in 1967 fuseerden tot de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) werd Wim Kok voorzitter van deze nieuwe grootste vakcentrale van Nederland. Tot zijn overgang naar de politiek bleef Kok deze functie bekleden.

Politieke loopbaan

Wim Kok kwam in 1986 in de Tweede Kamer terecht. De voormalige voorman van vakbond FNV was door PvdA-leider Joop den Uyl kort voor de verkiezingen als lijstduwer binnengehaald. Bij de verkiezingen van dat jaar haalde Kok 570.000 voorkeurstemmen. Kort na de verkiezingen legde Joop den Uyl zijn functie van fractievoorzitter neer, waardoor Wim Kok fractievoorzitter en oppositieleider namens de PvdA werd. De relatie tussen CDA en PvdA verbeterde in deze periode, onder meer door de – zeker vergeleken met Joop den Uyl – gematigde houding van Kok.

Na de verkiezingen van 1989 werd een coalitie gevormd tussen CDA en PvdA. Wim Kok werd in dit derde kabinet Lubbers zowel minister van Financiën als vice-premier. Kok concentreerde zich als minister in deze periode op het terugdringen van het financieringstekort en het stabiliseren van de collectieve lastendruk.

Joop den Uyl overhandigt voorzittershamer aan Wim Kok, 21 juli 1986 

Kwartje van Kok

Om een gat in de overheidsbegroting te dichten werd in 1991 de belasting op motorbrandsoffen vergroot. Dit werd bekend onder het ‘kwartje van Kok’. Wim Kok was destijds minister van Financiën. De accijnsverhoging bedroeg 18,3 cent (8,3 eurocent) per liter ongelode benzine en 7 cent (3,18 eurocent) per liter voor diesel, exclusief BTW. Sinds de invoering van het ‘Kwartje van Kok’ is er actie gevoerd om de, volgens velen tijdelijk bedoelde, maatregel af te schaffen.

 

PvdA verkiezingsposter uit 1986

De populariteit van Wim Kok nam in 1991 snel af nadat hij had ingestemd met de herziening van de WAO en ook de koppeling tussen lonen en uitkeringen had losgelaten. De PvdA werd door de kiezer tijdens de verkiezingen van 1994 ‘afgestraft’. De partij verloor maar liefst twaalf zetels. Het CDA verloor echter nog meer zetels, twintig, waardoor de partij van Kok toch de grootste werd. Dit maakte de weg vrij voor het eerste Paarse kabinet, een kabinet gevormd door de PvdA en de winnaars van de verkiezingen van 1994: VVD en D66. Sinds lange tijd werd er weer eens een regering gevormd zonder het CDA.

 

Paarse jaren

Het eerste kabinet Paars werd geleid door minister-president Wim Kok en had als motto ‘Werk, werk en nog eens werk’. Successen die dit kabinet bereikte kregen extra glans en vaart doordat er zich in Nederland een periode van economische voorspoed aandiende. Op 11 december 1995 deed Wim Kok tijdens de Den Uyl-lezing een opvallende uitspraak. Hij zei dat:

“…een werkelijke vernieuwing van de PvdA begint (… ) met een definitief afscheid van de socialistische ideologie; met een definitieve verbreking van de ideologische banden met andere nazaten van de traditionele socialistische beweging.”

Kabinet Kok I, met in het midden koningin Beatrix bij Huis, 22 augustus 1994 (cc – Rijksoverheid)

Kabinet Paars I gebruikte financiële meevallers om de staatsschuld terug te dringen en de lastendruk op burgers te verkleinen. Het beleid werd tijdens de Tweede-Kamerverkiezingen van 1998 door de kiezer beloond. De economische groei zette zich dan ook door en er was zelfs een overschot op de overheidsbegroting. Coalitiepartij D66 verloor tijdens de verkiezingen van 1998 wel tien zetels, maar doordat PvdA en VVD respectievelijk acht en zeven zetels wonnen, kwam er toch een tweede Paars kabinet.

“Wim Kok was een man om naar op te kijken.”  Mark Rutte

De kwestie Srebrenica wierp echter wel een grote schaduw over deze Paarse jaren. Een Nederlands bataljon kon in 1995 niet voorkomen dat zevenduizend moslims uit Srebrenica vermoord werden.

Wim Kok was ook in kabinet Paars II minister-president. Dit kabinet maakte een moeilijkere start door dan het kabinet ervoor. Met name het asielbeleid en een eventuele uitbreiding van Schiphol zorgden voor problemen. Door enkele (kleine) missers van bewindspersonen, waaronder versprekingen van minister Frank de Grave van Defensie met betrekking tot het onderzoek naar de val van Srebrenica, werd het kabinet in de pers steeds vaker afgeschilderd als een klungelend team van ongeïnspireerde bestuurders.

Politiek Café met Wim Kok

Val Paars II

Het tweede kabinet Paars II viel uiteindelijk op 16 april 2002. Directe aanleiding voor de val van het kabinet was een rapport van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) over de val van Srebrenica. Wim Kok nam door zijn ontslag in te dienen de politieke verantwoordelijkheid voor de mislukte, door Nederlandse militairen uitgevoerde, VN-missie in de enclave Srebrenica. Tot de beëdiging van het eerste Kabinet Balkenende op 22 juli 2002 regeerde Wim Kok als demissionair minister-president.

Na de beëdiging van het kabinet Balkenende I trok Wim Kok zich terug uit de politiek. In 2003 aanvaardde de voormalig minister-president enkele commissariaten, onder meer bij de ING Bank, Shell en de KLM.

Wim Kok overleed op 20 oktober 2018 op tachtigjarige leeftijd. Hij stierf, in bijzijn van zijn vrouw Rita, kinderen en kleinkinderen, in het ziekenhuis in Amsterdam aan de gevolgen van een hartkwaal.

Bron: De Lange Mars Van Wim Kok

Ik ben een Zeeuw, als er tegenwind is fiets ik gewoon wat harder.

Jan - Peter Balkenende

Minister-President 2002-2010 (1956)

Deel 8: wie was Jan Peter Balkenende

Minister – President 2002-2010

Jan Pieter (Jan Peter) Balkenende is een Nederlands hoogleraar en politicus van het Christen-Democratisch Appèl (CDA). Hij was van 22 juli 2002 tot 14 oktober 2010 minister-president van Nederland.

Balkenende groeide op in het dorp Biezelinge in de provincie Zeeland. Hij voltooide het atheneum aan het Christelijk Lyceum voor Zeeland in Goes en haalde aan de Vrije Universiteit Amsterdam het doctoraalexamen voor Geschiedenis en Nederlands recht. Zijn politieke carrière begon in Amstelveen, waar hij van 1982 tot en met 1998 gemeenteraadslid was. In deze periode promoveerde hij ook tot doctor in de rechtsgeleerdheid en werd hij (parttime) bijzonder hoogleraar christelijk sociaal denken aan de VU, een functie die hij tot zijn beëdiging als minister-president in 2002 vervulde.

Balkenendes politieke opmars verliep snel en verrassend[1]: hij trad in 1998 toe tot de CDA-fractie in de Tweede Kamer en werd in 2001, na een machtsstrijd binnen de partij, fractievoorzitter. Als lijsttrekker leidde Balkenende het CDA naar een grote zege bij de Tweede Kamerverkiezingen in 2002, na een campagne die in het teken stond van de kiezersonvrede over de paarse kabinetten en de opkomst, en dood, van Pim Fortuyn. Het kabinet dat CDA, VVD en Fortuyns LPF vervolgens vormden, met Balkenende als premier, was echter geen lang leven beschoren en viel binnen drie maanden.

Na nieuwe verkiezingen volgde het tweede kabinet-Balkenende (2003-2006), maar ook CDA, VVD en D66 haalden de eindstreep niet. Het vertrek van D66 leidde tot het kortstondige rompkabinet Balkenende III dat wegens nieuwe verkiezingen al na enkele maanden demissionair werd. Het vierde kabinet-Balkenende (2007-2010) gold vanaf het begin als een ‘vechtkabinet’ waarin CDA, PvdA en ChristenUnie uiterst moeizaam samenwerkten en kwam in 2010 ook ten val.Toen het CDA bij de Tweede Kamerverkiezingen onder zijn lijsttrekkerschap vervolgens fors verloor, trad Balkenende af als partijleider. Met het aantreden van het kabinet-Rutte kwam in oktober 2010 ook aan Balkenendes (demissionaire) premierschap een einde.

Een groot deel van Balkenendes premierschap vond plaats onder gunstig economisch gesternte. Identiteit domineerde het Nederlandse publieke debat: sociale vraagstukken over multiculturalisme en immigratie drongen de politiek binnen. Balkenende zelf profileerde zich als een voorvechter van normen en waarden en ging voorop in de zoektocht naar een nationale identiteit (zie de discussie over de VOC-mentaliteit). Pas tegen het einde van Balkenende premierschap keerde het economische tij, als gevolg van de kredietcrisis. De overheid greep onder meer in door een aantal wankele banken met staatssteun te hulp te schieten. Beleidsmatig was ook de hervorming van het zorgstelsel in 2006 ingrijpend.

Sinds eind 2010 is Balkenende hoogleraar Governance, Institutions and Internationalisation aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Sinds 2011 is hij, eerst als partner en later als extern adviseur, werkzaam voor accountancy- en adviesbureau Ernst & Young (EY).

Jeugd, studie en vroege carrière
Balkenende is geboren in een gereformeerd gezin als oudste van drie zonen. Zijn vader Jan Pieter Balkenende was graanhandelaar en zijn moeder Thona Johanna Sandee was – voor haar huwelijk – onderwijzeres. Balkenende volgde de lagere school in Kapelle en het atheneum aan het Christelijk Lyceum voor Zeeland (tegenwoordig Ostrea Lyceum) in Goes. In 1974 begon hij met een studie Geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, waar hij in 1980 zijn doctoraalexamen in behaalde. Tevens studeerde hij vanaf 1979 Nederlands recht aan dezelfde universiteit waarin hij in 1982 zijn doctoraalexamen behaalde (meester in de rechten). Tijdens zijn studententijd was hij lid van de studentenvereniging L.A.N.X. en daarbinnen lid van het mannendispuut de o.v. P.A.S.C.A.L. In 1976 werd Balkenende voorzitter van dit dispuut.

In 1982 werd Balkenende in zijn woonplaats Amstelveen lid van de gemeenteraad, wat hij zestien jaar zou blijven. Tussen 1982 en 1984 werkte Balkenende als beleidsmedewerker juridische zaken bij het bureau van de Academische Raad. In 1984 stapte hij over naar het Wetenschappelijk Instituut van het CDA waar hij stafmedewerker werd. In 1992 promoveerde hij tot doctor in de rechtsgeleerdheid op een proefschrift getiteld Overheidsregelgeving en maatschappelijke organisaties. In 1993 werd hij parttime bijzonder hoogleraar Christelijk sociaal denken over maatschappij en economie aan de Vrije Universiteit, maar hij bleef ook bij het Wetenschappelijk Instituut van het CDA werken. In deze periode vormde Balkenende veel van zijn ideeën over overheid en maatschappij, die hij later als minister-president zou uitdragen. Zo pleitte hij in zijn proefschrift al voor de eigen verantwoordelijkheid van maatschappelijke organisaties in plaats van hun (financiële) afhankelijkheid van de overheid (waar het CDA volgens Balkenende overigens ook aan had meegewerkt: een van de stellingen in het proefschrift van Balkenende luidde dan ook: De christendemocraten hebben helaas meegewerkt aan de afbraak van het maatschappelijk middenveld door allerlei organisaties afhankelijk te maken van overheidsgeld).

Politieke loopbaan
Van 1982 tot en met 1998 was Balkenende gemeenteraadslid in Amstelveen.

Tweede Kamer
In 1998 werd hij gekozen tot lid van de Tweede Kamer. Het CDA had toen net de tweede verkiezingsnederlaag op rij geleden en kwam in de oppositie tegen het tweede paarse kabinet terecht. Balkenende werd financieel woordvoerder van het CDA. Daarnaast hield hij zich bezig met sociale zaken, justitie en binnenlandse zaken.

Nadat CDA-fractievoorzitter Jaap de Hoop Scheffer na een machtsstrijd met partijvoorzitter Marnix van Rij het veld had moeten ruimen, werd Balkenende op 1 oktober 2001 fractievoorzitter. Korte tijd later werd hij gekozen tot nieuwe lijsttrekker van het CDA voor de komende Tweede Kamerverkiezingen. Op dat moment was Balkenende bij het grote publiek nog onbekend.

Balkenende I

 

 

 

 

De bordesscène van kabinet-Balkenende I in juli 2002

Onder andere door Pim Fortuyn niet te hard aan te vallen (in de media werd wel gesproken van een niet-aanvalsverdrag tussen Fortuyn en het CDA), kon Balkenende meeprofiteren van de anti-paarse stemming die kort voor de verkiezingen in Nederland heerste. Zo was er op 29 april 2002 een uitzending van NOVA/Den Haag Vandaag waarin Fortuyn te gast was en via een live-verbinding met Balkenende in Drachten (waar een regionale manifestatie had plaatsgevonden) werd gesproken over kabinetsdeelname waarin CDA over links (PvdA/D66/GroenLinks) of over rechts (VVD/LPF) zou gaan. Bij de Tweede Kamerverkiezingen 2002 was het CDA naast de LPF de grote winnaar. Het CDA steeg van 29 naar 43 zetels en werd veruit de grootste partij.

Jan Peter Balkenende werd op 22 juli 2002 minister-president van het Kabinet-Balkenende I, een samenwerking van het CDA, de VVD en de LPF. Vanaf het begin had dit kabinet het moeilijk. Staatssecretaris Philomena Bijlhout trad al na enkele uren af nadat oude foto’s van haar waren opgedoken waaruit bleek dat zij onjuiste informatie had verstrekt over haar verleden. Nederland bevond zich ten tijde van het aantreden van Balkenende in een diepe economische recessie en het vorige kabinet had enkele moeilijke besluiten (onder meer over herziening van het zorgstelsel en de WAO) voor zich uitgeschoven.

Maar het moeilijkst had Balkenende het met zijn ministers. In tegenstelling tot zijn voorgangers Ruud Lubbers en Wim Kok, die als premier overal bovenop zaten, gaf Balkenende zijn ministers veel meer de ruimte en hield hij zich op de achtergrond. Deze vrijheid bij ministers leidde tot een groot aantal proefballonnetjes: ministers die in interviews ferme verklaringen aflegden en daarop later moesten terugkomen. Al snel werd duidelijk dat met name de LPF-ministers Eduard Bomhoff en Herman Heinsbroek veel publiekelijk ruzie maakten. Toen hierover in de Tweede Kamer vragen werden gesteld, stuurde Balkenende de Tweede Kamer een door alle ministers ‘in gezamenlijkheid en eenheid’ ondertekende ansichtkaart met groeten uit de Trêveszaal, de vergaderzaal van de ministerraad. Dit schoot bij onder meer de PvdA in het verkeerde keelgat.

Balkenendes leiderschap werd mede hierdoor al snel in twijfel getrokken. Sommigen zagen in de minister van Justitie, Piet Hein Donner, de ware strateeg van het kabinet-Balkenende I. Tijdens het kamerdebat over de prinses Margarita-affaire moest Balkenende zich meerdere malen laten souffleren door Donner.

In oktober 2002, 87 dagen na het aantreden, diende Balkenende het ontslag van het kabinet in bij de Koningin, nadat de ministers Heinsbroek en Bomhoff eerder die dag waren afgetreden. Dit ontslag van het kabinet vond plaats op de dag van de begrafenis van prins Claus en velen verweten het Balkenende dat zijn ministers zelfs tijdens de rouwdienst hun conflict niet opzij konden zetten.

Balkenende II
Omdat een nieuwe coalitie niet mogelijk was, werden er in 2003 opnieuw Tweede Kamerverkiezingen gehouden. Bij deze verkiezing won het CDA onder leiding van Balkenende een zetel en werd de partij met 44 zetels wederom de grootste partij van Nederland. Omdat de PvdA een groot deel van haar verlies van een jaar eerder goedmaakte en naar 42 zetels steeg, werden aanvankelijk coalitiebesprekingen gevoerd tussen het CDA en de PvdA. Deze mislukten echter, waarna het CDA in zee ging met de VVD en D66. Op 27 mei 2003 werd het kabinet-Balkenende II geïnstalleerd.

Het thema van dit kabinet werd “Meedoen, meer werk, minder regels”. In de plannen werden harde maatregelen voorgesteld, die de economie er weer bovenop moesten helpen. Ook werd een akkoord over bestuurlijke vernieuwing opgenomen, waaronder een gekozen burgemeester en commissaris van de Koningin, alsook voorstelontwikkeling voor een nieuw kiesstelsel.

Direct na de beëdiging van het kabinet kondigde Balkenende aan dat eerst enkele moeilijke jaren zouden volgen, maar dat aan het einde van de regeerperiode zou kunnen worden geoogst. Het lukte Balkenende en zijn ministers echter niet deze boodschap goed over te brengen op de Nederlandse bevolking en de aanhang van de coalitiepartijen en ook het vertrouwen in het kabinet en in Balkenende persoonlijk, zakte vrijwel direct na installatie van het kabinet dramatisch.

Het tweede kabinet-Balkenende slaagde er wel in enkele moeilijke dossiers die vorige kabinetten hadden laten liggen, waaronder de eerder genoemde herziening van het zorgstelsel en de WAO en een verlaging van de belastingen voor bedrijven, relatief snel en eenvoudig door de Tweede en Eerste Kamer te loodsen. Aanhangers van het kabinet roemden het kabinet-Balkenende om zijn daadkracht, maar vanuit een groot deel van de maatschappij ontstond een steeds sterkere weerstand tegen het economische en sociale beleid van Balkenende. Critici – vooral de linkse oppositiepartijen – lieten felle tegengeluiden horen vanwege de zware maatregelen die het kabinet nam om de economie weer in het gareel te krijgen. Veel mensen gingen er in koopkracht op achteruit.

Toen in maart 2003 de Irakoorlog begon, met de inval van de Verenigde Staten en Groot-Brittannië in Irak, steunde het Nederlandse kabinet de oorlog “politiek, maar niet militair”. Dit betekende dat Nederland achter de aanval stond, maar zelf geen troepen leverde. Nederland trad hiermee volgens de Amerikanen toe tot de door hen als zodanig aangeduide Coalition of the Willing. Deze steun kwam de regering op veel kritiek te staan: veel mensen vonden dat Balkenende zich te veel naar de Amerikaanse president voegde.

Later in 2003 kreeg Balkenende te maken met het voorgenomen huwelijk van prins Johan Friso met Mabel Wisse Smit, de Mabelgate. Nadat gebleken was dat het stel onjuiste informatie had verschaft aan de koningin en de premier over de eerdere relatie van Mabel Wisse Smit met de crimineel Klaas Bruinsma, weigerde Balkenende een toestemmingswet voor het huwelijk bij de Tweede Kamer in te dienen. Het stel trok daarop de aanvraag voor toestemming in. Balkenende zei tijdens de persconferentie onder meer dat tegen “onwaarheden geen kruid gewassen is”. Aanvankelijk werd Balkenende gecomplimenteerd om zijn daadkracht, maar later werd hem gebrek aan tact verweten. Balkenende werd erop gewezen dat zijn voorganger Wim Kok het dossier rondom de vader van Máxima Zorreguieta tactvoller had aangepakt.

Tijdens het Nederlands voorzitterschap van de Europese Unie van 1 juli tot 31 december 2004 werd het Europese beleid inzake asiel, immigratie, misdaadbestrijding en terrorisme ingrijpend herzien: het Haagse Programma van 26 oktober, tekenden op 29 oktober de EU-leiders tijdens een ceremonie in Rome het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en werd 17 december het groene licht gegeven voor de start van toetredingsonderhandelingen met Turkije per 3 oktober 2005.

Op 22 maart 2005 stemde de Eerste Kamer niet in met de Grondwetswijziging waarmee de benoeming van de burgemeester en de commissaris van de Koningin uit de Grondwet werd gehaald. Voor een wijziging van de Grondwet is een tweederdemeerderheid in beide kamers nodig, maar GroenLinks, SP, ChristenUnie, SGP en (na lang aarzelen) de PvdA stemden tegen. Toen op 23 maart de VVD ook afstand nam van het door minister en vicepremier Thom de Graaf voorgestelde nieuwe kiesstelsel (waarbij kiezers op een persoon en op een partij konden stemmen), stapte Thom de Graaf uit de regering. D66 brak hierop het regeerakkoord open en eiste (en kreeg) nieuwe onderhandelingen met de coalitiepartners. Twee dagen later, op de zaterdag voor Pasen, werd een nieuw coalitieakkoord gesloten, dat het Paasakkoord werd genoemd. De leden van D66 stemden op een bijzonder congres, dat live op televisie werd uitgezonden, in met het Paasakkoord, waarmee de coalitie gered was. Alexander Pechtold verving Thom de Graaf als nieuwe minister van Binnenlandse Zaken en Laurens Jan Brinkhorst verving De Graaf als vicepremier.

Op 1 juni 2005 werd in Nederland het referendum over de Europese Grondwet met een grote meerderheid verworpen. Hoewel ook linkse partijleiders als Wouter Bos en Femke Halsema campagne hadden gevoerd voor invoering van de grondwet, werd de verwerping toch vooral als een nederlaag voor Balkenende beschouwd.

In oktober 2005 werd bekend dat de economische groei voor 2006 op 2,3% begroot werd. Rond dezelfde tijd werden ook de eerste miljardenmeevallers sinds jaren behaald. Aanhangers van het kabinet-Balkenende claimden dit als een succes van de harde maatregelen die het kabinet tijdens de economisch mindere jaren had moeten nemen; tegenstanders wezen erop dat de Nederlandse economische groei vooral te danken was aan de aantrekkende wereldeconomie.

In december 2005 scoorde Balkenende een succes door -tegen de verwachting in- de Nederlandse bijdrage aan de Europese Unie met 1 miljard euro per jaar te verlagen door vast te houden aan het Nederlandse eisenpakket.

Eind 2005, begin 2006 dreigde opnieuw een kabinetscrisis. De Nederlandse regering was gevraagd om troepen te leveren voor een vredesmissie in Afghanistan. Coalitiegenoot D66 was hier zwaar op tegen. Ook de D66-ministers wilden niet instemmen met een kabinetsbesluit. Het kabinet-Balkenende besloot daarom eind december 2005 niet formeel tot het leveren van troepen, maar sprak het voornemen uit positief te beslissen en droeg de zaak over aan de Tweede Kamer. Na felle protesten van met name de VVD en de PvdA, die pas in de Tweede Kamer over uitzending van de troepen wilden praten als het kabinet daartoe besloten had, kwam het kabinet alsnog met een positief besluit. Inmiddels had D66-leider Boris Dittrich gedreigd uit het kabinet te stappen als de Tweede Kamer zou instemmen met uitzending van Nederlandse troepen naar Afghanistan. Tijdens het kamerdebat waarin besloten werd tot uitzending van Nederlandse troepen, moest Dittrich deze dreiging intrekken en bleef D66 in de coalitie.

Op 29 juni 2006 viel het kabinet, nadat D66 zich terugtrok uit het kabinet vanwege een door die partij maar niet door een Kamermeerderheid gesteunde motie van wantrouwen tegen minister van Vreemdelingenzaken Rita Verdonk.

Balkenende III
Na de val van het tweede Kabinet-Balkenende werd oud-premier Ruud Lubbers als informateur met de taak belast om de mogelijkheden voor een derde Kabinet-Balkenende te onderzoeken. Dit kabinet, het derde kabinet-Balkenende, bestond uit CDA en VVD, met zogenaamde gedoogsteun van de LPF, D66, ChristenUnie en de SGP. Het derde kabinet-Balkenende trad op vrijdag 7 juli 2006 in functie.

In november 2006 kwam het demissionaire kabinet zwaar onder vuur te liggen door een stemming in de net nieuw gekozen kamer over het vreemdelingenbeleid. Nadat een motie van afkeuring tegen minister Verdonk was aangenomen, boden de VVD-ministers collectief hun ontslag aan. Balkenende weigerde dit ontslag goed te keuren en deed een klemmend beroep op de VVD-bewindslieden om aan te blijven voor de regeerbaarheid van het land. Besloten werd tot een gedeeltelijke portefeuillewissel tussen de ministers Verdonk en Hirsch Ballin. Over deze constructie werd verschillend gedacht: sommigen (onder wie hoogleraar staatsrecht Paul Bovend’Eert) vonden dat premier Balkenende de demissionaire status van het kabinet had misbruikt door de gebruikelijke vertrouwensregel in de wind te slaan, anderen vonden juist dat er een oplossing was gevonden voor een staatsrechtelijk novum (een demissionair (minderheids-)kabinet dat dreigde te vallen).

Balkenende IV

Bij de Tweede Kamerverkiezingen 2006 verloor het CDA onder leiding van Balkenende drie zetels, maar werd het voor de derde achtereenvolgende keer de grootste partij van Nederland. Omdat het CDA een half jaar eerder in de peilingen nog op 25 zetels had gestaan en omdat de PvdA veel meer zetels verloor, werd de verkiezingsuitslag door veel CDA’ers als een overwinning gezien. Na informatierondes door mede-CDA’ers Rein Jan Hoekstra en Herman Wijffels werd Balkenende op 9 februari 2007 benoemd tot formateur van het kabinet-Balkenende IV, een coalitie van CDA, PvdA en ChristenUnie.

Op 22 februari 2007 werd het vierde Kabinet-Balkenende beëdigd. Aanvankelijk werd de nieuwe samenstelling van het kabinet door een meerderheid van de Nederlanders gesteund, maar al snel sloeg het sentiment om. Het kabinet gebruikte de eerste honderd dagen om ‘te luisteren naar de bevolking’ door een dialoog met de samenleving aan te gaan, maar critici vonden dat het land de eerste honderd dagen niet bestuurd werd. Het kabinet nam daarnaast enkele maatregelen die op veel kritiek kwamen te staan, zoals een aangekondigde verhoging van de btw (per 1 januari 2009) en verhoging van de accijns op diesel. Daarnaast kwam de economie onder druk te staan door de (wereldwijde) kredietcrisis en de naar recordhoogte stijgende olieprijzen, waardoor veel mensen er in koopkracht op achteruit gingen. In de peilingen zakte vooral coalitiepartner PvdA weg en in iets mindere mate het CDA zelf. Het kabinet voerde een rookverbod voor de horeca in en trof voorbereidingen voor de invoering van kilometerheffing.

In oktober 2009 gingen er geruchten dat Balkenende mogelijk de eerste vaste voorzitter van de Europese Raad zou worden na ratificatie van het Verdrag van Lissabon.[2] Op 29 oktober noemde de voorzitter van de christendemocraten in het Europarlement, de Fransman Joseph Daul, Balkenende “een heel goede kandidaat”. Balkenende zelf wilde niet speculeren over wie er EU-president zou worden en noemde de geruchten over hem eerder een gezelschapsspel van de media.[3] Uiteindelijk ging deze post naar Herman Van Rompuy.

Op 20 februari 2010 viel het kabinet na onenigheid over de missie in Uruzgan. De PvdA stapte uit het kabinet, waarna CDA en ChristenUnie verder gingen als demissionair kabinet.

Balkenende werd door het partijbestuur, ondanks openlijke twijfel van prominenten in het CDA, voorgesteld als lijsttrekker voor de Tweede Kamerverkiezingen 2010. Op het partijcongres in april gingen de leden met zijn lijsttrekkerschap akkoord en werd hij opnieuw lijsttrekker van het CDA. Na de teleurstellende nederlaag van het CDA bij deze verkiezingen (een verlies van 20 zetels) maakte Balkenende op televisie bekend dat hij per direct stopte als partijleider en geen zitting zou nemen in de Tweede Kamer in de nieuwe samenstelling.[4] Ook liet hij weten niet terug te keren in een eventueel kabinet van de VVD en het CDA als minister van Buitenlandse Zaken.[5] Op 14 oktober kwam met het aantreden van het kabinet-Rutte een eind aan het kabinet-Balkenende IV en daarmee aan het premierschap van Balkenende. Na zijn aftreden ontving Balkenende het Grootkruis in de Orde van Oranje-Nassau.

Bron: 

Jan Peter Balkenende – Portret: Stille revolutionair, in: Elsevier, 22 april 2006. Artikel behandelt de feiten uit de periode tot zijn lidmaatschap van de Tweede Kamer.